Column

 

< vorige column
20 april 2011
Door: Annemieke Dubbeldeman

Smeagol & de grazer



Al zolang ik mij kan herinneren, eet ik de hele dag door. Een goede vriendin noemt mij liefkozend ‘een grazer’. En ook al zolang ik weet ben ik dun. Smal. Plaagbaar tenger. Bij gebrek aan zwaartekracht was ik het mikpunt van de klas.

Een zwangerschap gaf me een maatje meer en ik werd onlangs dertig. In mijn twintiger jaren heb ik regelmatig moeten horen dat mijn gegraas zich na mijn dertigste zou wreken op mijn heupen. Heus, oppassen moest ik.

De baby die mijn heupen deed groeien is inmiddels een dreumes. Ons wandelende veelvraatje en ook wel bekend als de dreumes van het goede leven. Hij lijkt wat dat betreft op mij.
Vanaf het moment dat hij er was en ik verhalen hoorde over moeilijk etende, groenteweigerende en toetjeseisende kinderen, besloot ik het anders aan te pakken. Ik wilde een makkelijk etend kind. En dus kwamen er geen potjes, maar gaf ik meteen een lauwe aardappel in het handje. Ook mocht hij zijn royale bos haar gerust in model brengen met vingers vol pompoen en van couscous tussen de plinten blikten of bloosden we niet. Want eten is leuk en passie aan tafel kunnen we waarderen.

Hij is een ‘ik regel mijn eigen refill van rozijnentjes wel even mama’ uk die er niet vies van is zelf even de la in te duiken, omdat hij weet dat daar gedroogde abrikozen en een meer-dan-pure chocoladereep liggen waar hij graag een stukje van zou willen. Etenswaren die voor hem nieuw zijn, benadert hij met een bewonderenswaardigde nieuwsgierigheid. En als ik sta te koken hangt hij -als ware hij Smeagol- aan mijn benen in de hoop dat ik hem optil om mee te kijken. Al is dat slechts anekdotisch bewijs van mijn aanpak natuurlijk.


blog comments powered by Disqus
 
 
 
 

 

Recente reacties

 
 
 

 

Zoek column

Vul een zoekterm in.