Gaan sporten is als stoppen met roken. Het vergt moed en voorbereiding. Het kost tijd de onwrikbare overtuiging te construeren dat na deze beslissing het leven beter wordt. Het vereist emotionele rust om nu even pijn te willen lijden, om straks een beter mens te zijn. Ik projecteer al weken plaatjes van een gezondere en slankere versie van mijzelf op mijn geestelijke horizon. De af te leggen weg naar dat doel is lang en moeizaam. Ik wil niet afvallen, ik wil afgevallen zijn. Ik wil morgen wakker worden zonder die twaalf niet-rokers kilo’s.
Maar zo werkt het niet. Ieder pondje gaat door het mondje. (Wat haat ik dat zinnetje. ‘From the lips straight to the hips.’ Idem). Maar erfelijke belasting en oude vetcellen terzijde, het is een waarheid als een koe. En als minder calorieën innemen niet lukt, dan moet er meer worden verbrand.
Dus stapte ik gister - na lange mentale voorbereiding – voor het eerst in jaren weer op een crosstrainer. De eigenaresse is een voormalig bodybuilder op wereldniveau. Ze heeft geen vet op haar lijf. Ze weet ze wat discipline is. Toen ze trainde voor de top moest ze acht keer per dag eten. Of ik wist hoe akelig dat was. Ik glimlachte naar haar. Ze stelde een trainingsschema voor me op. Ik maalde twee kwartiertjes op de crosstrainer voor het raam, keek naar het verkeer, het water, de buitensporters. Tussendoor trok ik aan wat gewichten. Het was lekker. Echt waar.
Het was ook enorm confronterend. Op de crosstrainer zag ik hoeveel ik moet bewegen wil dat stuk fijne Franse kaas van de heupen zijn gezweet. In een ideale wereld ga ik dingen niet eten omdat ze te veel tijd kosten om eraf te sporten, maar dat is later. Eerst wat conditie opbouwen en spieren kweken, met als inspiratie echte bodybuilders om me heen.